En dat ik dan Ariel was en hij meneer de Bruin
Persoonlijk | Prose | 08 September 2009 | 22:11:20
‘Rennen jongen, nu het nog kan!’, fluister ik tegen meneer de Bruin, terwijl ik mijn linkermondhoek voel zakken.  Als ik had kunnen bewegen had ik er een ferme armzwaai bij gemaakt.  Ik lig gespalkt aan een plank op de eerste hulp in het Universiteitsziekenhuis. Ik verlies het gevoel in de linkerkant van mijn lichaam en besef dat er iets goed mis is. Naast mij staat meneer de Bruin.  Ik voel dat dit zo’n moment is dat iets ergens op aan komt.  ‘k Heb geen flauw idee wat dat iets is en waar dat ergens, maar spannend is het wel.
Meneer de Bruin heet natuurlijk niet echt meneer de Bruin. Een nieuwe prille liefde plemp je niet in naam en toenaam op het wereldwijde web, for all to see, read and judge.  Maar ach. Tegelijkertijd beleef je deze nieuwe prille liefde over het algemeen ook niet in het ziekenhuis, gespalkt van kruin tot kont, aan het infuus en aan de monitor met als enig bewegend deel je rechterhand.  ’t Is een wonderlijke wereld en dit is een wonderlijke liefde.
Onfortuinlijker kan niet.  Mijn haar is stro, mijn oog en wang zijn blauw en een buil zo groot als een ganzenei heeft mijn voorhoofd zodanig vervormd dat ik op de Enterprise thuis lijk te horen. Sauna’s zijn confronterend. Door het pure en het blote, je bewegend in een ruimte groter en lichter en met minder dekbed dan de slaapkamer en met vergelijkingsmateriaal overal waar je kijkt. En dat je daar bent samen met die nieuwe liefde die je onder de douche en vanonder zijn wimpers ziet gluren en je je afvraagt of dat stuk chocola de avond ervoor nou echt zo nodig was. En dat je dan iemand bent als ik, neigend tot drastische maatregelen en handelend vanuit impulsiviteit om deze naakte onzekerheid te overschreeuwen. En dat je  dan een goede zwemmer bent en bedenkt dat je je daar tenminste geen buil aan kunt vallen.
Staand op het trapje schat in mijn kansen in. Wat zou het zijn? 5o meter? In gedachten leg ik het wedstrijdbad dat ik onder water wekelijks doorzwem naast dit welnesswater, concludeer ik een ja en zet ik af.  Met ferme halen herinner ik me mijn zeemeerminnen bestaan. ‘Zwem Ariel, Zwem!’ Rank en soepel glijd ik door het water. Mijn benen zijn een staart geworden, mijn lange haar waaiert in het water achter mijn lichaam aan. Dan voel ik een doffe klap, hoor ik onder water mijn wervels kraken en is er even helemaal niets meer.
Dat er dan plots glazen wanden onder het water schuilen. Als grapje van de architect.
Sterke armen tillen me op uit het water en ik wankel onwennig op mijn mensenbenen. Ik knipper met mijn ogen, mijn troebele blik verscherpt een ogenblik en ik blik recht in de bezorgde ogen van mijn eigenste prins Eric; meneer de Bruin. En weer wordt alles zwart. Een half uur later lig ik, gespalkt en wel voor het eerst van mijn leven in een ambulance.
De neuroloog komt aan mijn bed. ‘Mevrouw…’ Ze wacht even. Ik zie hoe jong ze is. Een arts in opleiding, vermoedelijk.  Ik wil geen mevrouw zijn in de ogen van deze student. Ik wil dat zij de mevrouw is . Ik wil dat dit ER is en zij Carol….’we denken dat u uw nek gebroken heeft.’ Of dr. Weaver.  George Clooney in de rol van Doug. Kalm, professioneel en vol met geruststelling.  ‘Noem mij maar Ariel’, begin ik monter aan een nieuwe grap, maar:  ‘Misschien moet je nu even ophouden met stoer doen’.  Hij is buiten mijn blikveld, zijn stem klinkt gesmoord.  ‘Maar dat kan niet’, stotter ik. Want ik kan niets meer vinden tussen stoer en angst.
De uren verstrijken. Het infuus in mijn arm doet pijn. Ik eis dat er naar gekeken wordt. De broeder met het Limburgse accent checkt het. En nog eens. De pijn in mijn hoofd verergert. Maar het is een prima infuus. Hij belooft me meer pijnstillers en verdwijnt weer door het gordijn.  
Meneer de Bruin kijkt naar de monitor. We doen een spelletje met de lijn van mijn hartslag. Ik zucht, zucht en zucht en hij ziet het ritme vertragen. Dan ritst hij mijn badjas open en legt zijn hand op mijn borst, mijn tepel tussen zijn vingers. De lijn reageert onmiddellijk. ‘Nou’, grinnikt meneer de Bruin. ‘Dát onderzoek kunnen ze tenminste overslaan.’
In mijn spalk valt alles wat erbuiten is weg. Ik voel me als een babytje dat ingebakerd is. Gekaderd, begrensd. Onaanraakbaar voor de dreiging van buiten.  De enige dissonant in het verhaal is dat de dreiging van binnen komt en ik kan er door al die begrenzing geen kant mee op. Ik grap, ik lach, ik ben bang en ik huil. Meer is er niet. Meer niet, behalve meneer de Bruin. Die, met een mars in zijn hand, een cup-a-soup of de krant,  mij bij terugkomst weer opnieuw in tranen aantreft. Omdat hij blijft en blijft terugkomen.
 
zeg het me... 19 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 290


Laat het duren
Poetry | 18 Augustus 2009 | 13:46:41
 
 
In mijn eigenste Feëenrijk,
Laat ik de vakantie nog wat duren.
Terwijl ze bonken op mijn muren,
Heer Verplichting en heer Verantwoordelijk,
De vrouwen van Structuur, Schoonmaken en Slapen.
 
Want er was iets vols, iets rijks,
Dat ik beleefde en genoot,
Met volle teugen.
Zij hoorden hier nog nimmer van,
zoeken elkaar in vertwijfeling en tot de orde.
De heren en dames van mijn dagelijks bestaan.
 
En roepen mij toe ‘dat sprookjes niet duren’,
Dat het leven ‘van veel minder goud is’,
dan de stralende zon mij in de ogen legde.
Ze zijn al weer druk en doende,
Want er komt weer de herfst, en de winter.
Ooit. Straks. Vast heel snel.
 
Dus: Orde. En het huis aan kant.
In de auto naar kantoor.
Mail en Telefoon, en stel je d’r nou vast op in,
De Heksenketel warmt zich op.
 
‘Ja Ja’. Mompel ik. Onwillig.
Strek mijn benen in ontspanning
Nip wat van mijn Chardonnay.
Sluit mijn ogen en
 
Dan gaat de telefoon.
Een stem klinkt. Goud. En warm.
Spreekt van de vroegere tijden
en van week of 3 terug.
 
Noemt mijn naam en spreekt van morgen.
Wanneer hij voorrijdt in het licht
van Frankrijk, tango en verbinding,
stap ik in. Rijd maar. Rijd mij maar.
Naar het einde van de wereld.
 
Ga maar, laten we gaan en
neem opnieuw mijn lijf, mijn hart,
In de warmte van jouw handen.
Verbind je hoofd weer met het mijne,
Vertel me waar je over gaat.
Laten we dansen,
die ongewisse uitkomst tegemoet.
 
zeg het me... 9 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 141


Voor. Zij. Sluit.
Persoonlijk | Prose | 09 Augustus 2009 | 00:46:51
 
Na de onzinnige wetenswaardigheidjes over ‘de reis’, ‘het weer’, ‘de mensen’ en de elektrische dekens op de bedden in de tenten uitgewisseld te hebben vroeg hij:
‘En, hoe is hij dan? Je danspartner?’ Zijn stem klonk stoer als in ‘niets gaat mij deren’, maar benepen ergens onderin. Het blikkerige dat zich soms bemoeit in de lijn tussen Nederland en Frankrijk hielp hier niet aan mee. Of hielp hier flink aan mee. ’t Is maar hoe je het bekijkt.
 
Ik merkte dat ik net wat te lang stil bleef, dus zei ik net wat te snel:
‘Ja. Leuk. Prima. Niets aan de hand. Fijn om mee te dansen.’
 
2 dagen later was er van alles aan de hand.
 
Ik ben een trut die haar wispelturige hart nog immer niet in weet te schatten, laat staan in de hand kan houden. Sterk spul, die Tango en gevaarlijk, de man die ermee weet te spelen.
 
I’m hooked. On both.
Er rest mij weinig anders dan volgen. Letterlijk.
Met vertrouwen in hem en in zekerheid van een ongewisse uitkomst.
 
En morgen? Neem ik de eerste trein terug naar Parijs.
 
zeg het me... 4 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 114


Alice in bed
Pieces | 16 Juli 2009 | 22:32:14
Omdat woorden even weinig willen zeggen....
zeg het me... 4 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 157


terugkijkend op morgen
Persoonlijk | Prose | 24 Juni 2009 | 23:41:34
Morgen is een grote dag.
Een dag der dagen.
Zo eentje waar je jaren naartoe werkt,
en als ‘ie der dan is en is geweest,
lig je ’s nachts in je bed je ongelovig af te vragen
of ‘ie al was of dat ‘ie nog moet komen.
 
Mijn nagels zijn gelakt.
Mijn jurk hangt al weken aan de kast,
muiltjes staan eronder en alleen ik hoef er nog in.
Morgen. Zal mijn trots hem dragen.
 
Morgenmiddag rijdt er, uit het oosten van het land, een auto.
Daarin zitten 4 ouders verwachtingsvol ongemakkelijk te zijn.
Ze zijn allevier de mijne. Een moeder die mij baarde,
een vader die mij weggaf, een moeder die mij grootbracht en een vader die…
De auto rijdt.
 
Naar Amsterdam. Precies volgens de aanwijzingen op het kaartje,
dat een paar uur eerder viel in twee brievenbussen, 10 km van elkaar verwijderd,
afzonderlijke van elkaar. Het kaartje nodigde hen uit. Vandaar dat ze nu komen.
Gisteravond is besloten samen te rijden. Gisteravond is gebeld.
De ene moeder naar de ander. Ze zal zich opgelaten hebben gevoeld, die ene moeder.
Ze zal gestameld hebben en zich onduidelijk hebben uitgedrukt. Overheen al die onzekerheid zal de andere moeder hebben geroepen: ‘maar natúúrlijk! Toch veel praktischer!’ Met een overslaande stem. Wat zeg je in godsnaam tegen elkaar wanneer je beide moeder bent van hetzelfde kind, je beide niet echt de moeder voelt van dat kind en dat kind zelf is er niet bij om je aandacht en ongemakkelijkheid op te richten?
 
Morgen zal ik op een afgesproken tijdstip deze auto voor zien rijden.
Daaruit zullen stappen 2 moeders in jurken, twee vaders in pakken. Ze zullen wat bezorgd om hen heen blikken, zich afvragen of de auto veilig staat, zo in 'de grote gevaarlijke stad', hun ogen zullen zoeken doorheen feestelijk geklede mensen en mij vinden. Waarschijnlijk dragen ze bloemen. Ik hoop dat ze bloemen meebrengen. Er zal wat gedronken worden op het terras waar ik vast al een boel gedronken heb.
 
Dan vertrekt de stoet. Ik loop naast een vriend. Ook hij zal een pak dragen. En bloemen.
Ik verheug me op zijn bloemen, hij weet het best welke ik mooi vind. Ik ben blij dat hij er is, het is vreemd het vijfde wiel aan een wagen te zijn en tegelijkertijd degene die alles draaiende houdt. Morgen wil ik mij niet verloren voelen. Bij ons loopt Vriendin met het fototoestel. Zij kwam immers daarnet, klam van de warmte getrapt op haar Amsterdamse fiets, op het nippertje het terras rennen. Ze zal zich zich verontschuldigd hebben en ik heb haar blij gezoend.
 
Morgen zal ik staan, hooggehakt en in zijde gehuld, stevig op mijn benen.
Dan zal mijn naam klinken. Mijn beide namen. Voor het eerst zal ik deze beide namen horen, uitgesproken door iemand die weet wat hij daarmee zegt. Het verhaal schuilt in de spatie. Ik hoop dat hij weet hoe een spatie hoort te klinken. Hij zal er woorden aangeven, en ik zal ze herkennen.
De beide moeders zullen sniffen. Elkaar aankijken, wanneer de wijn gesmaakt heeft en ze moed gevonden hebben, in het uur daarvoor. Ik zal me er niet mee bemoeien. Ze doen maar. Een ding hebben zij gemeen en hun voorliefde voor drama en uitbuiting van beladen momenten heeft zich in mij verviervoudigd.
 
En dus zal ik gepast en innemend glimlachen. Naar voren lopen - nee, schreiden zal ik - en mijn diploma in ontvangst nemen. Daar stopt de tijd.
 
Overmorgen zit ik weer hier. En zie ik de foto’s. Zie ik dat ik gekust werd en gekroond. Is er een foto van de schoenen die ik uitschopte, voordat ik naar buiten rende en in de stromende regen mijn diploma optil naar de hemel en het leven bedank. Is er een foto van de beide moeders die mij achternagingen, waarop de ene beschaamd mij ter orde roept, en de ander verwachtingsvol om haar heen blikt. ‘Mijn dochter’, zal de een beschaamd denken. ‘Mijn dochter.’ denkt de ander trots. Het zal aan de gezichten te zien zijn. Angst en schaamte en schuld in ongeuite trots. Ik ken die gezichten, ik draag ze al jaren met me mee.
 
Er zullen foto’s zijn van vrienden die collega’s werden, van opleiders, die de ouders de hand drukken. Benieuwd en wetend, want zij volgden het proces van deze wonderbaarlijke integratie in kleine zaaltjes waarin wij allen onze weg gingen, de afgelopen 5 jaar. Op het snijvlak van persoonlijk en professioneel. Die vreemde, grillige weg die leidde tot therapeutschap. En zo zal ik de andere moeders zien die in de steek lieten of smoorden, de vaders die te vroeg afwezig waren zullen ook hier schitteren in hun afwezigheid. Ik zal partners ontmoeten die mee zijn gegroeid en partners missen afhaakten. Ook ik zal haar vreselijk missen. Het zal een bonte verzameling zijn van de context waarin of waaruit wij allen leerden, die pijnlijk was, die we ons bewust maakten en die wij uiteindelijk hebben kunnen laten en accepteren, terwijl wij autonomie omarmden.
 
Ik zal nog veel aan morgen terugdenken. Want morgen bevestig ik een professioneel fundament in het bijzijn van hen die mij mijn bestaansrecht onbedoeld ontnamen en zij die mij niet kenden en geen bevestiging konden geven. Morgen sluit ik een hoofdstuk af. Morgen geef ik mij mijzelf, in het bijzijn van hen die wel wilden, maar niet konden. Morgen. Is een grote dag.
 
En nu dan. Voor deze ene keer, een link naar de professionele mij waarin ik mijzelf morgen erken.
 
zeg het me... 25 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 317


Aan de moeders van deze wereld
Ouders | Pieces | 30 Mei 2009 | 12:39:31
Om mij heen groeien buiken. ’t Lijkt wel volkomen plotseling, dat mijn fladderende en spelende vriendinnen zich ontpopten tot dragende moeders, het verantwoordelijkheidsgevoel diep gezeteld in de onderste regionen van hun lijf. Ze zijn moe, misselijk en prioriteiten worden scherp gesteld. Hoe werken ze het allemaal bol; dat werk, die studie en de dilemma’s waarvoor ze zich gesteld zien. Een groot huis met dito kinderkamer? 2 Kleinere kinderkamers in twee kleinere huizen? Met argusogen wordt bekeken hoe hij zich ontpopt in een beginnende vaderrol, want tja; dat weet je immers nooit totdat het werkelijk zover is. Worden de mooie woorden vlees?
 
Gesprekken voeren we voornamelijk per mail of Skype, al dan niet geïllustreerd met bijgesloten foto’s van echo’s of de houten schommelstoel op Marktplaats gevonden die, zo voor het raam in de kinderkamer, prachtig dienst zal doen als zoog en troeteleiland. ´Een warme deken erin´, schrijf ik. ´Het kan koud zijn, ’s nachts.´
 
 Langsgaan met een flesje wijn of bellen op een spontaan en laat tijdstip; bellen überhaupt, ’t lijkt verleden tijd te zijn. Ik hoor voornamelijk voicemails. De engelsen hebben zo’n prachtig woord voor de veiligheid die zich ontwikkeld binnen de vrouw. Waar wij de hele vrouw aanwijzen met ‘baarmoeder’, wijzen zij doelgericht naar de plek waar het zich allemaal, diep binnenin en aan het oog ontrokken, voltrekt. Womb.
 
Warmwaterige Womb. Wandelde Womb. Wij~Womb. En die WijWomb is doorgevoerd totaan de muren van het huis. Onneembare vestigingen zijn het geworden, waar nieuwe regels gelden. Regels die onbewust ontstaan in de cadans van ontwikkelend leven. Binnen wordt buiten en huizen worden wombs.
 
Ik vind het fantastisch. Temidden van dit alles beleef ik een nieuw historisch besef, aanschouw ik mijn eigenste BabyBoom. En kan ik niet wachten totdat Jonas, Lotte, Merijn en Maria krijsend de wereld in geperst zullen worden. Wacht ik op…. Maar, de laatste dagen bekruipt mij toch ook een wat angstig gevoel. Want zo, in deze eerste 9 maanden, beweeg ik soepel mee in de nieuw gedefinieerde grenzen. Als vriendin van broedende moeders. ´Straks tante´, knikt ze met blozende wangen en stralende ogen in de webcam. ´Ja´, knik ik terug, iets minder eager de laatste dagen. Want. Zijn we naïef? Kan ik er ook bijblijven, zo dadelijk, wanneer die handen die nu het toetsenbord bedienen, 24:7 iets kleins en hulpeloos willen omvatten? Wanneer die handen vooral willen vasthouden, verschonen, rustig willen liggen op de schoot in de schommelstoel kijkend naar slapend schoon of steun zoeken bij de mannenhand die soortgelijke verlangens heeft?
 
En dan lees ik vanochtend, in het Kunst en Boeken Katern van de uitgestelde vrijdagkrant de kop ´Ouders als schrikachtige katten´, waaronder beschreven hoe we, met al onze studies ontwikkelingspsychologie en pedagogiek, vanuit al die verschillende psychologische standpunten, het kind van ons vervreemd hebben. ´Pas echt vreemd is het kind geworden toen we het gingen bestuderen´, vertelt Breeuwsma in zijn boek ´Het vreemde kind´. ´Toen we nog geen acht sloegen op het kind was veel ons misschien onbekend, maar nu we het kennen is het voor ons vreemd.´ Klinkt logisch en aannemelijk, de afstand die we tot iets krijgen wanneer we het nauwgezet gaan beschouwen, bestuderen. Wanneer we uit de boeken weten waaróm het ´Nee!´ van Klaasje bij dat moment van zijn ontwikkeling hoort of wanneer we kunnen verklaren dat Pien in het hoekje van de speeltuin komt te zitten, op het moment dat andere kindjes het bevolken.
 
Hebben we met al onze kennis een afstand tot het kind gecreëerd, waardoor we er niet meer ´mee kunnen zijn´? Staren we ons blind op gedrag en symptomen, uit angst het fout te doen? Juist doordat we ons allen zo vreselijk bewust zijn hoe onze eigen kindertijd ons dagelijks voor de taak stelt los te laten en mens te worden met dit leven? Hoe we´gewend zijn geraakt dat de zetel van onze identiteit zich ergens in de kindertijd bevindt en heerst over ons lot en noodlot?´
 
De ommekeer in mijn eigen manier van leven werd gevormd in het moment dat ik, door schade en schande eindelijk wijs geworden, besloot ´met het leven´ te willen zijn, en niet langer beschouwend en verklarend en ertegen. En ´met het leven zijn´ is als laag bij de grond bewegen en iedere stroom en iedere vraag van dit leven nemen zoals het tot me komt. Zonder weerstand en vol vertrouwen. Dat bracht me verder, zou ik willen schrijven, maar ook het ´verder´ is hierin onderschikt. Dat bracht me. Dat bracht mij.
 
Ouders als schrikachtige katten. Ik ken katten. Van dichtbij. En dat dichtbij, wanneer in schrik, had soms lelijke gevolgen. Voor mijn gezicht, mijn handen. Ooit moest ik mijn kater 5 weken lang, drie keer per dag douchen vanwege een etterende wond in zijn buik en zijn genezingsproces eigenhandig op me nemen waar de dierenarts een spuitje voorstelde. Mijn kater en water.  Zijn wond genas uiteindelijke meer voorspoedig dan de schrammen en halen en mijn hals, armen en handen.
 
Moeders van deze wereld. Jullie brengen voort. Leven. Nieuw leven. Leven om bij te zijn, om mee te zijn. Hier is geen schrik nodig, geen beschouwing en geen weten. Dit is laag bij de grond. Ontvangen en loslaten en ´ermee zijn´, in al die bewegingen die het leven zelf gaat tonen.
 
En vanuit mijn eigen levenstroom, blijf ik dichtbij. Ernaast, antwoordend op vragen of bewegingen, ook wanneer die afstand inhouden.
 
Ik ben benieuwd hoe dit verder zal gaan.
zeg het me... 11 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 189


Zee-en van tijd
Persoonlijk | Prose | 27 April 2009 | 11:55:25
 

 
 
‘Eigenlijk wil ik zwemmen’, mompel ik loom terwijl ik mijn armen en benen in tegengestelde richtingen strek. Warm zand, flauw zonnetje. ’t Loopt waarschijnlijk al tegen vijven. Ik heb liggen slapen achter de duinrand waar wij ons in een kuil van zand geïnstalleerd hebben. Picknickleed, een thermosfles thee.
Jij zit op je billen in het zand en knutselt aan de instellingen van je camera.
 
Die nieuwe lens, die kocht je waarschijnlijk een paar dagen ervoor.  Je schafte 'em aan voor de cursus fotografie die je was gaan volgen. Een wijkinitiatief, de groep inspireerde je niet echt, zei je, maar de docente had wel wat in huis en je was vooral benieuwd. Ik hield van je foto's. Je had oog voor de schoonheid in details. En voor compositie. Altijd al. Maar je wilde leren over de juiste instellingen. Diafragma, sluitertijd. Dat soort dingen. Je maakte een macro van het zand en een spriet helmgras. Verstelde wat, draaide wat en maakte ‘em opnieuw.
 
Je zweeg veel, die middag. Ook dat verraste niet echt, deed je vaker en steeds meer. Al zat je naast me, je hoofd leek elders te zijn. Ik wist niet waar, maar ik liet het maar. Verwachtte dat je wel weer terug zou komen, op een goede dag. Dacht dat we tijd hadden. In mijn hoofd waren zeeën van tijd en goede dagen zat.
 
‘Ga je mee?’ Zonder je antwoord af te wachten klauter ik over de duinpan en wandel ik naar zee. Wolken zijn voor de zon geschoven en het is niet echt warm meer. Eind augustus, de zomer loopt op haar einde en trekt zich ook gedurende de dag sneller terug. Het waait. Ik ril. Ik sta alleen. Achter me zie ik de duinpan. Ik weet dat jij daar bent.
 
Ik loop het water in. De golven komen tot mijn knieën, mijn jurk wordt nat. Ik twijfel. Maar het water trekt. Heeft het altijd gedaan. Als klein meisje zwom ik in bergmeertjes en riviertjes van smeltwater. IJskoud. Als ik erbij kon, ging ik erin. Het prikkende koude water. En dat grote moment dat, het water tot mijn middel, de keuze tussen helemaal of helemaal niet gemaakt moest worden. Dan dook ik. Sloeg mijn hart onder water een paar slagen over. Soms wist ik me over te geven aan de kou. Hield mijn adem in en liet me onder water meevoeren. Dan bleek het niet eens zo koud te zijn. Soms kwam ik direct happend naar adem weer boven. Wachtte mijn moeder dan met een warme handdoek? Wreef ze me warm wanneer ik rillend weer op de kant klauterde? Ik herinner me het niet.
 
In Noorwegen, met jou, heb ik dat onstilbare verlangen altijd maar te willen zwemmen zogauw ik water ruik, toch moeten stillen. In het geval van Fjorden kun je nergens bij.
 
Ik kies. Trek mijn jurk uit, leg hem in het natte zand te drogen en ren terug de golven in. Twijfel. Even. Jij maakt een foto. Dan duik ik. De kou omsluit me. Gedachteloos. Donker. Even. Als ik bovenkom ben je weg.
 
Terug, achter de duinpan zitten de spullen al in de tas. Zwijgend lopen we over het strand, de tas tussen ons in, je camera bungeld op je heup. ´Waar je is je lensdop?´, vraag ik. Je antwoord niet. Antwoordde je werkelijk niet of ben ik het vergeten? Ook het etentje in de favoriete strandtent, de zonsondergang, er zijn foto's van, maar ik herinner me de momenten niet meer. 
 
Dat je hoofd elders blijft en niet meer terugkomt. Dat weet ik pas maanden later. Wanneer je je elders gevonden hebt en je lijf erbij voegt en je me dat verteld. Dat ik je niet kan laten gaan weet ik ook dan en iedere dag opnieuw. ´Je zult het merken. Nu nemen je gedachten aan haar al je emotie en al je tijd in beslag. Maar echt, je zult het merken. Over een tijdje heb je zo opeens 4 dagen niet aan haar gedacht.´
 
16 maanden. Een slordige 500 dagen. En nog steeds, iedere dag. Eigenlijk wil ik zwemmen. Dan duik ik en in het gedachtenloos en donker draai ik dan de tijd terug. Sta je lachend met een warme handdoek voor me als ik boven kom. Maar ik herinner me het niet meer.
zeg het me... 16 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 339


over belofte, lente en de kunst van horoscopie
Persoonlijk | Pieces | 15 April 2009 | 11:11:12
 
 
 
‘Ach. Kom nou toch! Je horoscoop? Ga je me nou vertellen dat jij werkelijk in dat soort onzin gelooft?’ Ze is enigszins verontwaardigd verbaasd.
 
‘Nou. Geloven is hierin een groot woord…’ We zitten in de zon op het terras in mijn straat. Ik heb net de ramen gezeemd. Mijn handen voelen ruw en mijn nagels hebben haaltjes. Ik wriemel er wat aan.  ‘Maar toch. ’t Is prettig iedere dag een beetje advies te krijgen.’ Ik knipoog, bestel nog 2 koffie verkeerd en sluit mijn ogen in de ochtendzon en denk aan dit stukje.
 
Eigenlijk maakt het mij niet echt uit wat waar is, en wat niet..’t Is simpelweg prettig dat er ‘iemand’ tegen me spreekt, iedere ochtend opnieuw. Iets om me bij het wakker worden op te verheugen. Een cadeautje van woorden. Ik houd van woorden. En vooral van woorden die iets kunnen betekenen.
 
Vanochtend vroeg.  Met de slaap nog dichtbij en de eerste kop koffie in mijn hand lees ik dat mijn dag het volgende kán zijn:
 
Je krijgt te maken met een nieuwe vriendschap. De kans dat het een soulmate wordt, is erg groot. Je staat momenteel minder intens in het leven dan normaal. Je omgeving vindt dit een verademing. Ze durven nu dichter bij je te komen. Je budget heb je prima onder controle. Ga voor wat je wilt; met deze uitstraling is het moeilijk om jou over het hoofd te zien. Als single scoor je gegarandeerd. Wanneer je zin hebt om te gaan studeren of een cursus op te pakken, doe het dan nu. Je bent er helemaal klaar voor.
 
En wanneer ik dan naar buiten kijk en zie dat de zon schijnt, de lucht fris naar de lente geurt en dat de katten blij door het struikgewas sluipen en buitelen, dan is de wereld toch goed? Met de kans op een nieuwe vriendschap, kans op verbondenheid en dichtbij en de herinnering aan die eindscriptie in mijn lijf. Het zijn maar woorden. Tuurlijk. Maar het zijn woorden die wijzen naar mogelijkheden. Die richting zetten naar wat zou kunnen zijn. Woorden die wijzen naar leven. Zoals de lente kan voelen als belofte, zo is het prettig deze woorden de lezen, te ademen, en iedere dag opnieuw een dosis moed en belofte geserveerd te krijgen.
 
Dan geloof ik dat het niet van werkelijk belang is waarin je gelooft, áls je maar gelooft.
Het is lente en ik geloof in de belofte. Voor mij klopt dat.
 
 
En Ik bestelde natuurlijk geen 2 koppen koffie verkeerd.
Mijn alters drinken slechts met mij mee.
En zeggen dan: Hmmm. Drink jij even een lekkere kop koffie!
Voor nu ben ik nog mijn eigen soulmate en was ik samen met de zon.  
Ik geloof dat de belofte  in gedachten soms al vorm mag krijgen, 
 zodat het weet alvast waar het heen moet.
zeg het me... 10 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 226


Tijd is een rug wanneer ze voorbij gaat
Poetry | 11 April 2009 | 01:02:50
Tijden gaan voorbij.
Zacht en geruisloos, op hun tenen misschien. Of op kousenvoeten?
Ik zou het niet weten, Ik heb watjes in mijn oren en mijn ogen zijn dicht
Ik doe of ik slaap. Want de rug van een tijd is het pijnlijkst van al.
 
Tijden worden ruggen terwijl ze komen aan hun eind.
Ik leer over ruggen, bestudeer hun gedrag.
Zo weet ik nu dat ze komen,
omgedraaid en van voren,  
met gespreide armen en glimlachend dichtbij,
En op dat ene moment draaien ze. Telkens.
Ik zag brede ruggen, smalle ruggen.  
Verslagen ruggen, vastberaden ruggen.
Verongelijkte ruggen. Ruggen van onvermogen.
 
Sommige beloven dingen in hun weggaan. Mompelen wat.
Sommige durven dat niet en verdwijnen simpelweg,
zonder slag of stoot of hapering. Ik laat ze.
Maken ze excuses? Beloften? Leggen ze uit?
Ach. Ik laat ze maar.
 
Want ik ben in het foute sprookje van de herhaling waar iedere dag opnieuw dezelfde is.
Ik geloof dat ik hier al lang ben. Met mijn knieën opgetrokken naar mijn hart.
Mijn armen en oren eromheen gesloten en mijn ogen dicht.
Ik kan niet al die ruggen zien, op weg van mij, tot ze uit het zicht zijn.
Ik heb die tijd niet.
Kan haar niet dragen want jij nam haar in je weggaan mee.
Sinds jij ging, gaat iedereen.
 
zeg het me... 5 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 206


over toereiken of afwenden
Pieces | 17 Maart 2009 | 11:30:28
Ergens, ergens ver weg had ik een vermoeden van dat alles dat ik miste. Vaak hielp het mijn ogen dicht te doen, mijn hart te sluiten en te praten met mijn hoofd. Snel bij de dingen weglopen gaf ook het gewenste effect. Het verre vermoeden bleef onaangeraakt en roerde zich niet.
 
Verliefdheid doet alsof. Doet alsof ze al dat gaat zijn dat verlangd wordt. Het verlangen is het sterkst naar dat wat er had moeten zijn, maar er niet was. Daar waar iets niet afgemaakt is.
 
In mij zijn een boel onafgemaakte bewegingen. Mijn binnenste voelt soms als een hand, grijpend, reikend, zo net over een rand. Naar iets, naar iemand. Als in een soort ongeloof. Een ongeloof over het niets waarin ik tast.
 
Wanneer ik mijn hand uiteindelijk terugtrek wordt het stil. ‘Goedzo’, knikken omstanders. ‘Terug naar jezelf’ en ‘zoek het bij jezelf’. Instemmend gebrom. Een zucht van verlichting, hier en daar. De vraag is teruggenomen en men kan blijven waar ‘ie is. Comfortabel. We willen allen iets betekenen in ons leven maar durven we iemand te zijn voor een ander?
 
Nodig zijn en nodig hebben. Omdat ergens, in een andere tijd, iets of iemand niet toereikend was. We halen er onze neuzen voor op. Wenden ons gezicht af. Het verbaast me. We kiezen ervoor verlangens onbewust onze contacten te laten beïnvloeden en weigeren dwingende vragen van binnenuit bewust te stellen. Trekken ons liever terug in onszelf en in onze teleurstelling dat de ander niet was, niet deed, niet voldeed aan onze verlangens en beklagen ons lot in en over een wereld van kortstondige contacten en opnieuw on-toe-reikende relaties.
 
Zijn dan een tijdje ‘op onszelf’ en bezien onze bewegingen. Of die van de ander. ‘Ja. Kom. Ik ben zijn moeder niet!’ of ‘Ja. (stil) Misschien wilde ik ook wel teveel.’
Dat gaan we de volgende keer anders doen! Eureka!
Maar wie laten we in wezen dan alleen? Wie stelde deze vraag? Ergens smoren we immers weer opnieuw iets in de kiem. En ergens trekt iets haar hand terug.
 
Zijn we dan niet ergens zelf opnieuw die moeder, die vader, die belangrijke ander die vergat tegemoet te komen aan onze wezenlijke vraag naar groei en ontwikkeling?
zeg het me... 6 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 187


dat wat naderbij komt.
Persoonlijk | Pieces | 28 Februari 2009 | 02:04:08
Buiten loeien de sirenes en binnen tikken de uren voort.
De late uren verglijden naadloos in de vroege.
Het bed is al weken niet warm of koesterend meer.
De lakens zijn klam geworden in pogingen te vergeten en tenminste eens per nacht af te glijden in nietszeggende slaap.
 
Het dagelijks zoeken naar verbinding, een plek om te zijn en in rust en beweging samen te vallen; het put me niet langer uit. ’t Is me gewoon geworden. Ik schreeuw niet langer meer. Schreeuwen wendt de hoofden af. Ik zeg niet eens meer. Men vindt dat er geen reden is. En iedereen, iedereen gaat altijd weer weg.
 
De slaap wil me niet langer vatten want Zij is bij me in bed geslopen. Ze ligt rechts van mij, haar hoofd steunt op haar hand, haar elleboog drukt in mijn witte kussen en haar ogen zijn op mij gericht. Ik ken haar. Ze is Eenzaamheid en ze is klaar mij in haar armen te sluiten.
 
Stukje bij beetje schuift ze nabij. Ik kan haar ogen al bijna lezen, haar omfloerste blik en  voel haar koude adem op mijn huid. Zij, zoetgevooisde lichtekooi van isolatie.
 
Even was er nog een kiertje, zo tussen de gordijnen en iedere morgen straalde de hoop van de ochtend nog binnen. Dan ving ik snel het schaarse licht. Pakte ik het spiegeltje dat op mijn nachtkastje ligt en ving ik het licht precies daar waar het de lakens zou raken. Dan stopte ik het in een doosje en stopte ik het doosje bij me. Zo had ik een laatste restje hoop op zak.
 
De laatste drie dagen verlichtte niets mijn lakens meer. Zag ik in mijn spiegeltje enkel haar holle ogen. De vastberaden trek om haar lippen. Waardoor heen ze zwijgend sist: 'Dit is hoe het is. Ik hoor bij jou.'
 
Want ze weet dat het zal gaan gebeuren. Vandaag of morgen, one way or another. Als geen ander kent ze mijn verlangen te versmelten, samen te vallen. Mijzelf en de uitdaging die dit leven heet voor even te verliezen. En ze weet dat wanneer zij de enige is… ze niets anders hoeft te doen dan te wachten. En zo is zij het, die ieder de laan uit stuurt. Mij drijft naar net iets te veel of net iets te weinig. In het spiegeltje stift ze haar lippen rood. Steekt er een sigaret tussen, knipoogt naar me en wacht. Tot het donker genoeg is en niets ons meer onderscheiden zal.
 
zeg het me... 12 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 267


over de kracht van ijs
Persoonlijk | Pieces | 26 Februari 2009 | 00:00:21
 

 
Het was winter en
wij gingen waar niemand ooit kwam
Voetsporen in water bevroren tot pad.
Kraakte het onder mijn voeten, of verbeeldde ik me dat?
 
Hier kwamen geen auto’s, geen zondagvertier.
Zelfs geen eendengesnater in deze rivier.
We liepen op water.
 
Zwijgend.
 
In het niets van het nu is soms weinig te zeggen.
Alsof ieder woord, iedere klank,
Het moment zou doen breken,
En wij met een plons de ijskoude werkelijkheid in zouden vallen.
In voorzichtige stappen lieten we het heel.
 
Opeens stond hij stil.
En van die weeromstuit, ik ook.
‘Hoor je dat?’ Hij fluisterde.
Ik luisterde.
Maar ik hoorde niets.
 
Zo stonden we een tijdje.
Mijn oor naar rechts,
Het zijne naar links,
Te luisteren naar het niets dat wij waren.
 
 
 
 
zeg het me... 8 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 241


Zo simpel kan het leven soms zijn
Persoonlijk | Pieces | 19 Februari 2009 | 23:54:11
Vanochtend, in het stadsblad:
 
 
Zou deze werk. man. gedacht hebben:
Laat ik maar niet direct ook vragen om een toilet, 
zoveel rompslomp. Ach. Ik kan best zonder.

Maar ook deze is 'em gegeven.
Lijkt me een 'done deal', toch?
 

zeg het me... 5 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 196


Juna zei... 'Oh! Zei ze dat?!'
Persoonlijk | Pieces | 07 Februari 2009 | 00:41:34
Toen vanochtend, in alle vroegte en het was nog donker,
 na de lamp in de badkamer, de wc en de slaapkamer, óók de lamp aan het hoge plafond in de keuken knapte en geen licht meer gaf, hoorde ik plots een stem in mijn hoofd.
 
‘Ik wil een ander huis.’ Ik had het ergens in de verte wel een beetje aan voelen komen, toen ik vriendin het exacte aantal huizen dat in mijn straat te koop stond kon vertellen. En dat ergens kwam nu opeens in onvermijdelijke concretia mijn ochtend binnenvallen.
Ik had de koekastdeur geopend zodat ik het knopje van de Senseo kon vinden, en ik deed hem prompt weer dicht. Wachtte in het donker. En hoorde toen opnieuw.
‘Jaha. Ik wil een ander huis!’
 
Ik zette mij aan de keukentafel, mijn ellebogen op het blad en mijn slaperig hoofd in mijn handen en zei ‘kut’. Keek de kat aan die mij aankeek. En zei het nog eens, tegen haar nu. ‘Kut’. Want als ik ergens een hekel aan heb, als ik érgens een gloeiende hekel aan heb, dan is het aan verhuizen.
 
zeg het me... 8 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 275


Klop op mijn raam
Pieces | 31 Januari 2009 | 12:42:49
Kom bij me langs.
Alles hier is nog hetzelfde,
Het huis, de wereld en mijn hart.
Je zult het herkennen, en weten…  
 
Kijk me dan aan.
Vertel me met lachende ogen
Je geluk.
Je stralende zon,
Ik zie je zo graag, Ik zie je zo graag gelukkig, mijn lief.  
 
Het was toen te vroeg. Het deed teveel pijn.
Mijn pijn, jouw schuld, Het was te zwaar om te dragen.
De enige keus was te kiezen voor niet.  
 
Het leven ging door.
Ik dacht dat het nooit meer zou gaan,
maar het ging, ondanks mij.  
 
Wees niet meer bang,
Voor mijn schreeuwen, mijn tieren,
Je ging bij me weg,
En ieder eerder verlies werd zo vreselijk tastbaar.  
 
Het grote contrast
De hemel die jij besteeg, niet langer met mij.
De diepte waar ik was,
Zonder jouw hand, je hart, je liefde.
Jouw licht werd mijn schaduw.  
 
Nu de zon weer schijnt voor ons beiden,
Kom bij me langs,
Laat ons voelen hoe nieuw nieuw kan zijn.
Alles heeft zijn vorm en de tijd zal vertellen hoe dingen nu zijn.
 
zeg het me... 9 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 274


een verhaal van warme harten en bevroren sloten
Persoonlijk | Prose | 26 Januari 2009 | 23:51:27
 
Things to do to day
verzoek tot verwijdering ~ *buig* ~ beantwoord  
zeg het me... 4 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 254


Hel. Dat zijn de anderen
Persoonlijk | Prose | 17 Januari 2009 | 02:56:47
‘Hoe is het dan met jou?’
 
‘Hoe is’. Ik denk werkelijk even na.
Wacht even, want ik denk werkelijk even na.
Maar dan toch. Het spijt me.
‘Er is niets. Het gaat’.
 Bij jou zijn de kinderen. Bij jou is het huis. Je werk, dat je toch wat teruggeschroefd hebt. 3 dagen zijn genoeg. Want kleine Jonas. En kleine Roos. Soms ben je zo moe…
 
‘Okee..’ Wat ongemakkelijker nu. ‘Hoe gaat het dan met jou?’
‘Het gaat haar weg. Ik ga mijn weg.’ En daarmee verstomt het gesprek.  Er is blijkbaar weinig te zeggen op een weg die gaat.
 
Ik zei het je al, toch? Toen wij wandelden omdat jij niet wilde zitten ergens in een café met een warme kop koffie verkeerd, het schuim op je lippen,  omdat je dan in slaap zou vallen aangezien je de hele nacht op was gebleven. Toen we liepen door dat park, jij mijn hand vasthield en af en toe om je heen keek of niemand het zou zien. Toen zei ik je al tegen je dat ik een cursus smalltalk zou moeten volgen. Een cursus smalltalk in drie dagen, voor deze reünie.
 
6 Vrouwen. 6 Maatschappelijk Ondernemers toen. Moeders, nu. En ik. Maakten carrière, gingen parttime werken. Werken nu even niet. We hadden idealen, toen. En we maakten ze waar. Hoewel. We schreven op bierviltjes dat we op zou komen voor de rechten van vrouwen, juist wanneer die in de ogenschijnlijke gelijkwaardigheid ondergesneeuwd zouden worden. We zouden directrices worden van de Special Arts Kunstuitleen. We zouden ons niet binden aan een partner. Aan meerdere, dat wellicht wel. Groots en meeslepend zouden we leven. We zouden. En we belandden in buurthuizen, BZO’s en de Humanitaire instelling om de hoek. 3 dagen in de week. Want we belandden thuis. Jullie belandden thuis. Ik speel. Drink het leven. Er gaat iets, maar er is niets.
 
Ik drink te veel. Een voordeel van het rookverbod, zo merk ik, is dat ik me bedenk, wanneer ik dan tollend buiten sta en de avond net begonnen is,  dat ik echt niet nog meer wijn moet drinken. De port waarmee ik me thuis moed indronk bracht me op een randje van nog prima kunnen fietsen. De fles wijn die op tafel komt duwt me erover. Gesterkt door dat besef schenk ik mij binnen nog een glas wijn in.
 
‘Maar was jij toen niet… God. Hoe heette ze nou… Was jij toen niet met haar?’
Ja. Ik knik.
‘Maar, uhm… nu?’
‘Nee. Nu niet meer.’ Ik pak de fles. Iemand nog?
Schuin tegenover knikt iemand bemoedigend.
Ik schenk wijn in haar waterglas.
‘Spreek je haar nog?’
 
‘Spru’, dat had ze.
Zo vertelt ze aan de andere kant van de tafel.
Spru, zij, en de kleine daardoor ook. Ze legde hem prima aan, zo zei ook de wijkverpleegster, maar als ‘ie niet drinken wil door al de blaren rond haar tepel en de blaren in zijn mondje. Nouja. Dan kan je ook niet meer kolven hè?
 
Nee. Ik spreek haar niet meer.
Een vrouw. Een kind. Maar heeft het die magie, mijn liefste?
 Heeft het dat wervelende, dat destructieve waarin alles heel wordt?
Wordt alles vlakker in het ouder worden?
 
 
‘En weet je nog? Dat we toepten in dat café, daar en daar?’
Allen zijn ze weg uit de stad. Kinderen krijg je beter in een dorp in de rook van…
Dus. ‘Weet iemand wanneer de laatste trein naar Houten gaat?’ ‘Ik neem de bus naar Driebergen, om kwart voor.’
Dat café daar en daar… waar we dan uiteindelijk belanden for old times sake, de bus en trein die gemist worden en het pakje kaarten dat we vragen aan de toog. Ja. Dat is het café waar ik tot een maand geleden nog wekelijks met je hing. Hing te zijn. Waar ik nog ben terwijl het bij de anderen slechts herinneringen oproept.  Waar ik de barman groet. ‘Het oude recept? ’Nee. Dat zou te ver gaan. Zelfs voor dit verhaal.
 
 
En daar loop ik dan. Hand in hand met een prins die nooit de mijne worden zal. Luisterend, pratend, verdrinkend in momenten die waren en wetend dat er weinig momenten zullen volgen. Dat verdomde theater. Houdt het me weg of brengt het me bij… Mezelf vertellend dat voor nu dit genoeg is. In het nu is het altijd genoeg. Verder hoeft niet. Want verder gaan de anderen. Hel. Dat zijn de anderen.
 
zeg het me... 11 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 320


Lots of Love!
Persoonlijk | Pieces | 01 Januari 2009 | 23:18:51
 
Met gespreide armen en een open hart ~ welkom 2009.
 
Het jaar waarin ik ga leren dat mijn weg bepalen niets met hypocrisie te maken heeft.
Waarin ik ga beseffen dat ik dingen mag willen en niet willen. En dingen me niet slechts overkomen en onoverkomelijk zijn. Een jaar waarin ik mijn leven ga bepalen in plaats van het leven dat mijn grillig voelen bepaald. Waarin ik hoop te voelen dat 'mijzelf dragen' niet persé tot kluizenaarschap en bijbehorende eenzaamheid leidt. Een jaar waarin ik accepteer dat ik nog te identificeren heb om te kunnen groeien, maar dat de keuze tot hetgeen of die ander waarmee ik mij verbind de mijne is. Waarin ik liefde van niet-liefde onderscheid, mijn van dein en de ander en gevoel van angstige emotie. Een jaar waarin ik de opgedane les omarm dat emoties misleidend kunnen zijn, eerder dat dan een gids of richtinggever. Waarin ik doe waarin blijheid schuilt en afmaak waar ik nou eenmaal aan begon.
 
Op de valreep, aan het einde van 2008, vielen er dingen op hun plaats. Stopte ik het grijpen naar jou, jou en jou, om in het lege onwennige van mij een thuis te maken. Leerde ik van komen en gaan en van een bij mij blijven dat ik uiteindelijk slechts zelf kan.
Ik blijf, 2009. Ik beloof het mijzelf. Ik blijf om te kunnen gaan in verdere stappen naar dat wat ik verlang. Zonder mij lukt dat niet. Ik ben er. Ook als ik het even niet meer weet, ook als ik niets snap van al die anderen, dan nog ben ik er.
 
Dus, wanneer ik naakt en weerloos voor je sta,
en ik hoor het zwaard van tekort, behoefte en verlangen,  
dan zal ik glimlachen.
Zou jij mij steken dan bloed ik.
Zou jij mij doden dan sterven wij en keer ik om.
 
Niet langer bescherm ik mij bepantserd tegen je, maar enkel pak ik op mijn zwaard om te strijden voor. Aan jou zijde en niet meer tegen. Wanneer dit het werkelijk waard is.
 
Juna heet ook wel Caroline.
Caro - line
Waarin Caro in het spaans betekent 'van waarde.'
En line.. vertaal ik gevoelsmatig met lijn, weg.
 
Deze plek bestaat in mei 2009 5 jaar.
Een 5 jaar lange beschrijving van de weg van Caroline,  
in een Juna-vorm gegoten. Een clubje mensen bleef komen, lezen, schrijven.
Jaren achterheen, bewegend op hun eigen weg, open naast de mijne.
Blijkbaar had mijn schrijven waarde. Heeft het contact waarde. Hoewel velen hun weg alleen gaan, zijn we niet werkelijk alleen. Zijn we verbonden en zijn de woorden hier een middel deze verbondenheid voelbaar, tastbaar te maken.
 
Ik beschrijf en bevoel hier mijn weg doorheen mijn leven. Een leven dat gaat over liefde, verbondenheid, eenzaamheid, schoonheid en zorgvuldigheid. Caro's weg. Weg van Waarde.

 
Onwennigheid en schaamte vieren hoogtij wanneer ik deze woorden typ.
Maar een jaar is maar een jaar is maar een jaar.  
En dit jaar omarm ik dit idee.
En graag blijf ik me hierin omarmd voelen.
 
 
 
 
 
zeg het me... 35 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 483


 

Cingular Phonesfree cell phone Home   weblog sinds: 2004-12-05

Ontwikkeld door punt.nl en gehost door mijndomein.nl