juna.punt.nl
Abonneren
Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!
Laatste artikelen
 
Het was er, tussen ons. 
Ik heb met de jaren de liefde leren relativeren en was opgehouden met geloven in haar bestaan, maar onbewust verlangde ik nog immer.
En daar was het. Tussen ons en in ons en het vervoerde me opnieuw.
 
Levensgevaarlijk want tot duizelingwekkende hoogten. Naar een ijlere luchtlaag van mijn ziel en tot in een diepere diepte in mijn hart dan dat ik voor mogelijk hield. Zo'n bodem waarop je denkt te kunnen staan die dan wegklapt en weer is daar een trap naar beneden. Mijn lijf, mijn vertrouwd neurotisch lijf, ze opende. In een volledig ontvangen en totale overgave tegelijkertijd.
 
Wanneer je me omarmde duizelde het me. Wanneer je naar me keek, met me sprak, dan smolt het ijs dat binnenin mij postgevat had liep het water over mijn wangen. Soms verloor ik plots de macht over mijn benen, gonsde mijn hoofd  en moest ik even zitten. Liggen. Jouw handen op mijn lijf en ‘je golft helemaal’, zei je dan. Ja. Jij bracht beweging in mijn bevroren binnenwateren. Het stoomde en ik was het water en in de wolken tegelijk.

Maar het was te groot. Te groot voor je hoofd om te bevatten, het joeg je schrik aan en je deinsde terug.
Het was te groot en we bereikten elkaar steeds minder. Beetje voor beetje trok je je terug, mijn geloof in onze liefde passeerde een buigpunt en plots was ik Icarus in zijn val. Af en toe cirkelend op een luchtstoom maar zonder vleugels en dus wel degelijk en onvermijdelijk vallend.
 
Ik ben op mijn rug gevallen. Daar lig ik, stil, vol ongeloof. Als in dat moment wanneer het kind dat van de schommel valt naar adem snakt en de wereld even stil staat. Een moment. Twee momenten. Drie... voor het start met huilen. 
Het was er, tussen ons. En het is er. En jij zegt van niet. En ik geloof er helemaal niets van.
Lees meer...   (3 reacties)
Alleen.
Ik proost mijzelf in de reflectie van keukenraam.
 
Ga uit eten, zondagavond, onverwacht.
Vrienden en rumoer.  Drink teveel wijn, van de weeromstuit.
Was thuis, de afgelopen 3 dagen.  
In een koortsige strijd met de gedachten van twijfel en tekort onder de deken op de bank.
Gris, bij thuiskomst, nog snel die 2 boeken ‘die ze echt moet lezen’
uit de kast. In de illusie iets te willlen doen.
In de illusie bij te kunnen dragen.
Weet ik veel wat zij moet lezen.  
Misschien dat Tolstoj… Misschien ook niet.
‘Wel dik,’ zegt ze. ‘Ja.’ zeg ik. ‘Wel dik’, en ik knik.
 
Charlotte Roche. ‘Vochtige streken.’
50% van het gesprek, immers, was seks.
‘Ik ging over mijn nek, van dat boek’.
Of niet-seks. Op. Of onder.
Macht, overgave.
‘Het is het meest intieme dat ik kan doen, met een man’,
Zegt ze. Zij kan het weten, ze doet het al wat langer dan ik met mannen, immers.
Ik weiger nog. Hij ook, vervolgens.
 
Terug, binnen. Schenk ik een nieuw glas wijn in. Nieuwe wijn, oud glas.
Drink. Mis hem. ‘Nee. Hij belt niet. Sms’t niet. Daar is ‘ie niet zo van.’
‘Waar precies is hij niet zo van?’, vraagt ze. ‘Van reactie?’
‘Nee.’ knik ik. Weet ik al hoe dom ik klink, de laatste tijd?
 
Ik proost mijzelf in de reflectie van het keukenraam
de avond in. Hef het glas op al dit autonoom geluk.
 
 
Lees meer...   (4 reacties)
‘Wanneer stopt het dan?’ Vraag ik haar. Tegen beter weten in.
 
‘Wanneer het stopt?’ In haar ogen verschijnt die blik die je wel eens ziet wanneer je mensen herhaaldelijk aan hun hoofd blijft zeuren omdat jij maar in kringetjes rond blijft draaien terwijl zij allang hebben gezien dat het 6e inmiddels overgegaan is in een zevende rondje. Waar prachtige dingen als hoop en belofte en ‘het gaat nu anders zijn, dat heeft ‘ie écht zo gezegd’ jammerlijk terecht zijn gekomen in het slijk van herhaling, vertwijfeling en herhaalde vertwijfeling. In gedeelde zuchten van moedeloosheid, om verschillende redenen. Ze verschuift haar stoel een beetje en gaat achterover zitten. Kijkt me recht aan. Met die blik. En dat is best een beetje intimiderend dus besluit ik heel goed naar d'r te luisteren.
 
‘Het stopt wanneer jij jezelf eindelijk eens op waarde gaat schatten in plaats van eindeloos te blijven vragen bij hen die je vraag niet eens verstaan.’
 
Ow.
Ok.
Daar kan ik dus helemaal niets mee.
 
‘Misschien moet de kelk eerst echt helemaal leeg?’ opper ik.
‘Ja. Misschien.’ Ze denkt na. Met in haar ogen die blik die je wel eens ziet wanneer mensen zoeken  naar die ene metafoor waarbij er misschien wel wat kwartjes gaan rammelen. Ja. Die ja. Maar dan net iets vermoeider en wat minder enthousiast omdat ze dat al een keer of 6 eerder deed. En metaforen? Die raken een keertje op, hè?
 
 ‘Misschien is het net zo als dat je op een feestje een glas wijn in je handen gedrukt krijgt, je na de eerste slok bemerkt dat ‘ie zuur is, je je glas toch braaf leegdrinkt, maar je zeker geen tweede in hand laat drukken.’
 
‘Ja. Zoiets.’ Zeg ik. Terwijl ik in gedachten het derde glas van diezelfde zooi tussen mijn vingers ronddraai.
Lees meer...   (11 reacties)
“Dag meneer, Ik bel u omdat ik hier voor me heb liggen een brief van de belastingdienst  waarin u mij verteld dat ik vrijgesteld ben van BTW-plicht. Ik wil dit even met u bekijken, want ik geloof dat dit niet juist is.’
‘U denkt dat dit niet juist is? Ah. Geeft u mij even uw burgerservicenummer, dan kijken we het na.
 
Dat doe ik. Hij typt het in. Dan:
 
“Mevrouw? Ik geloof inderdaad dat u vrijgesteld bent, want ik zie dat wij u een brief hebben gestuurd.
‘….’
‘Heb ik u hiermee voldoende geholpen? Een hele fijne dag nog. Dag mevrouw.’
 
‘Dag meneer.’
Lees meer...   (7 reacties)
Haar liefde was als een dikke, zoete pap. Een heerlijke brei met als voornaamste eigenschap; de leegten vullen. Voeden. Gulzig slokte ik haar naar binnen, want nooit eerder had ik zoiets geproefd. Ze smaakte verrukkelijk. En er waren zoveel leegten. Haar ogen, haar armen, haar mond, haar hart ~ ze leek te leven om de voedster te zijn van het droge, magere, liefdeloze scharminkel dat ik was.
In ons ongenaakbare paradijsje was dit onze hoofdtaak. We waren Leveranciers. Hadden nodig. Waar zij mij verzwaarde en vulde, verlichtte ik haar. Tilde haar op in een grenzeloze beweging, een geestelijke dans van inzicht en bewustzijn. Vele weekenden brachten we door in bed of aan de keukentafel. Lieten het leven uit onze handen vallen en richtten ons enkel op het beantwoorden van de diepst liggende vraag: ‘Geef mij het leven.’ Maand na maand werd ik zwaarder, zodat uiteindelijk mijn voeten de grond van het bestaansrecht konden vinden. Maand na maand werd zij lichter, wist het ondergrondse te ontstijgen en groeide op naar haar werkelijke mogelijkheden. Uiteindelijk konden we elkaars kleren dragen. Spiegelden onszelf in elkaars blikken en vormden onszelf naar wat nodig hadden en naar elkaar.
7 vette gelukzalige jaren met als enige dissonant de hardnekkige twijfel voortdurend in onze achterhoofden aanwezig: kon dit eigenliijk wel?’ ‘Kon dit bestaan? Was het werkelijkheid of slechts een heerlijke illusie waaruit wij ruw zouden ontwaken, op een zeker moment?
Het kon, maar het bleek eindig. Deze enorme pan met pap bleek wel degelijk een bodem te hebben. De pollepel schraapte wanhopig over staal, we baden om een nieuwe voorraad, maar uiteindelijk droogden de vezels op en, eenmaal in mijn binnenste aangekomen, verteerden ze niet langer meer. Mijn verzwaarde gedachten wilden niet langer zo hoog dansen, ik werd duizelig in de zoektocht en had haar niet langer de hemel te geven. Ik kon zelf staan en hoefde niet langer gedragen te worden. Zij had leren dansen en verlangde een andere dans. En een andere danspartner.
Ook voor mij kwam er een ander. Hij had geen melk, geen pap, geen vezels. Hij bracht me donkere koffie en sigaretten. Wijn en whiskey en kleine uren in de kroeg waarin wij spraken over Het Zoeken, het Geloof en het Verlangen te vinden. Maar al zochten we nog zo hard, we vonde niets. In plaats daarvan spraken we in harde woorden vanuit het onvermogen elkaar te bereiken die desalniettemin pijnlijk de kern raakten en beleefden we dronken nachtelijk scènes waarin we ons drama opvoerden aan de wereld. Dansten onze tango in een ruwe marge en bleven geloven dat de verbinding daar te vinden was. We waren Rivalen.  Het was een grote liefde. Een stuurloze, magnetische liefde. Dit schip kon in realiteit niet varen, want waar ik het roer stevig in handen wilde houden en koers wilde zetten, koos hij te dobberen op de baren van het lot. We gingen schreeuwend aan elkaar ten onder.
‘Zolang je blijft verlangen naar de droom, zul je in de werkelijkheid niets vinden.’ Dat zei je me gisteren. Jij, die met mij in de realiteit wilt leven. Jij die jaren geleden de droom verbrandde, omdat ze je uiteindelijk niets bleek te brengen. Jij die in rijkdom wilt leven maar schaarste als metgezel koos. Jij die in je hart de droom buitensloot, maar toch zo naar liefde verlangt. Jij, de Overheerser.
Ik lust geen pap meer. En zwarte koffie maakt me trillerig. In de nachtelijke uren vraag ik me af waar je bent, en met wie. Er is een afstand en soms is er nabijheid en in wezen ben ik alleen. Jij bent het die me geeft wat er nodig is, nu, door mij simpelweg niets te geven. Zoals ik jou ook niets geef. Er is enkel die zilveren, elastische draad die ons verbindt. Die, wanneer in de war geraakt, simpelweg ruimte en afstand nodig heeft om weer recht te trekken.
Dit is geen droom, dit is de realiteit waarin wij zijn. En het is het laatste dat ik me er ooit bij voorstelde.
Lees meer...   (17 reacties)
 
 
Een EXITgesprek, zo noemden we het moment dat we nog samen zouden delen.
Waarin hij mij dan mijn tandenborstel terug zou geven, en mijn föhn,
ik hem alle T-shirt’s  die ik mee naar huis genomen had. Behalve dan die grijze. Die grijze zou ik houden.
 
We spraken elkaar al weken niet. We vierden Kerst niet samen en sms’ten elkaar met Oud & Nieuw niet een  ‘Gelukkig Nieuwjaar’, want dat voelde ongepast in de betekenisvolle stilte van het uit elkaar gaan. We wisten beiden dat het voorbij was.
 
Ik zou koffie voor hem maken.  We zouden nog even naar buiten gaan, wellicht. Ik zou hem mijn inzichten uit de laatste contactloze weken vertellen, hij mij de zijne.  Rond een uur of 3 zouden we dan afscheid nemen, besloot ik, hij zou wegrijden en dat zou 'het' dan zijn.
 
Ik vond het volwassen en ik prees mijzelf met de hernieuwde mogelijkheden in het verbreken van een relatie. Geen groot drama meer, geen destructieve ruzies, niet het wegrijden met piepende banden en brandende tranen en niet vervolgens weken geïsoleerd ijsberen in losse eindjes van wrok,  wroeging en woede en twijfelende gedachten. Nee. Volwassen de puntjes op de i, even-goede-vrienden (maar dat dan ook weer niet) en een streep eronder.
 
Vriendin vond het verre van volwassen en ronduit een stom idee. Ik wist toch immers wel dat dit soort stoere voornemens eindigden in een verwijtendrama over en weer, in nog eens de zwik van die ander onverteerbaar op je bord of in een afscheidsritueel tussen de lakens? Ik zag toch immers wel dat nog eens contact zoeken hetzelfde was als niet los kunnen laten?
 
 ‘Misschien werkt het anders bij jou?’, zei hij, toen we liepen, op weg naar de exit, door een sprookjesachtig Amelisweerd. ‘Misschien ben jij anders?’
 
We liepen op de bevroren rivier.
De sneeuw knisperde onder onze voeten.
We zeiden wat dingen en we zeiden een boel dingen niet. Omdat ze plots zo belangrijk niet leken.
De zon scheen op mijn gezicht en ik bedacht hoe graag ik niet anders wilde zijn.
 
Maar onze voeten vonden de zo vanzelfsprekende samen-tred en mijn hand de warmte van de zijne.
En zo liepen we, uur na uur. De zon ging al onder en we bleven lopen. Over de paden, over het ijs. We raakten de weg kwijt, maar dat maakte niet uit. ‘Voelt vertrouwd hè?’ zei hij. En iets in mij keek hem boos aan en zong, in het ritme van mijn stappen,  ‘zwak-ke trut, zwak-ke trut, zwak-ke, zwak-ke,  zwak-ke trut.’ Terwijl iets anders , iets zachters in mij zuchtte, smolt in zoute tranen en opnieuw tot leven kwam
 
Thuis, uiteindelijk, werd ik misselijk van die verschillende ietsen. Ging hij naar huis en fietste ik in het donker de kou in. Mijn voeten op de trappers in het soepele ritme van alleen. ‘Voelt vertrouwd hè?’ spotte iets in mij. Maar het zachtere sliep al, rustig ademhalend en wetend dat het zou gaan zoals het gaan zou. Dus toen ik thuis kwam, legde ik me bij haar neer.
 
 
Lees meer...   (6 reacties)
Mijn eerste goede voornemen ging in rook op. Letterlijk.
 
Het tweede bleek niet zo’n goed idee. ‘Vroeg naar bed en vroeg weer op’,
maakten de dag zo lang, dat ik de uren weg zag tikken doorheen de rook van de sigaretten waar ik niet af kon blijven.
 
Zaterdagochtend. 8.00u. Vóór mij een kop koffie, een boterham met kaas en de kat die mij recht en in volle verbijstering aanstaart. Ín mij het rillen van de vroege ochtend, het verlangen naar de warmte van mijn bed en de gedachte: ‘wat doe ik in vredesnaam hier?’
 
Mijn derde goede voornemen had te maken met het ontwikkelen van discipline.
Discipline om een gezonde dagstructuur aan te houden en discipline om verre van sigaretten te blijven. 
 
Ik denk dat de fout in de volgorde schuilt.
Om 16.00u een sms van mijn moeder. Hoe het werkte met het niet-roken.
Ik weet het niet, mam. Ik weet niet hoe het werkt om niet te roken.
 
En dus zit ik hier. Het is na enen en naast mij brandt de zoveelste sigaret van vandaag. Op.
 
Als vierde en laatste nam ik mij voor een nieuwe webstek te creëren waar ik dan ook daadwerkelijk weer eens iets zou schrijven.  Et voila. 't Is niet veel en 't is niet wat, maar 'Ey! Als ik me iets voorneem...'
 
2010. Het begin is er. Morgen weer een dag.
Lees meer...   (9 reacties)
‘Rennen jongen, nu het nog kan!’, fluister ik tegen meneer de Bruin, terwijl ik mijn linkermondhoek voel zakken.  Als ik had kunnen bewegen had ik er een ferme armzwaai bij gemaakt.  Ik lig gespalkt aan een plank op de eerste hulp in het Universiteitsziekenhuis. Ik verlies het gevoel in de linkerkant van mijn lichaam en besef dat er iets goed mis is. Naast mij staat meneer de Bruin.  Ik voel dat dit zo’n moment is dat iets ergens op aan komt.  ‘k Heb geen flauw idee wat dat iets is en waar dat ergens, maar spannend is het wel.
Meneer de Bruin heet natuurlijk niet echt meneer de Bruin. Een nieuwe prille liefde plemp je niet in naam en toenaam op het wereldwijde web, for all to see, read and judge.  Maar ach. Tegelijkertijd beleef je deze nieuwe prille liefde over het algemeen ook niet in het ziekenhuis, gespalkt van kruin tot kont, aan het infuus en aan de monitor met als enig bewegend deel je rechterhand.  ’t Is een wonderlijke wereld en dit is een wonderlijke liefde.
Onfortuinlijker kan niet.  Mijn haar is stro, mijn oog en wang zijn blauw en een buil zo groot als een ganzenei heeft mijn voorhoofd zodanig vervormd dat ik op de Enterprise thuis lijk te horen. Sauna’s zijn confronterend. Door het pure en het blote, je bewegend in een ruimte groter en lichter en met minder dekbed dan de slaapkamer en met vergelijkingsmateriaal overal waar je kijkt. En dat je daar bent samen met die nieuwe liefde die je onder de douche en vanonder zijn wimpers ziet gluren en je je afvraagt of dat stuk chocola de avond ervoor nou echt zo nodig was. En dat je dan iemand bent als ik, neigend tot drastische maatregelen en handelend vanuit impulsiviteit om deze naakte onzekerheid te overschreeuwen. En dat je  dan een goede zwemmer bent en bedenkt dat je je daar tenminste geen buil aan kunt vallen.
Staand op het trapje schat in mijn kansen in. Wat zou het zijn? 5o meter? In gedachten leg ik het wedstrijdbad dat ik onder water wekelijks doorzwem naast dit welnesswater, concludeer ik een ja en zet ik af.  Met ferme halen herinner ik me mijn zeemeerminnen bestaan. ‘Zwem Ariel, Zwem!’ Rank en soepel glijd ik door het water. Mijn benen zijn een staart geworden, mijn lange haar waaiert in het water achter mijn lichaam aan. Dan voel ik een doffe klap, hoor ik onder water mijn wervels kraken en is er even helemaal niets meer.
Dat er dan plots glazen wanden onder het water schuilen. Als grapje van de architect.
Sterke armen tillen me op uit het water en ik wankel onwennig op mijn mensenbenen. Ik knipper met mijn ogen, mijn troebele blik verscherpt een ogenblik en ik blik recht in de bezorgde ogen van mijn eigenste prins Eric; meneer de Bruin. En weer wordt alles zwart. Een half uur later lig ik, gespalkt en wel voor het eerst van mijn leven in een ambulance.
De neuroloog komt aan mijn bed. ‘Mevrouw…’ Ze wacht even. Ik zie hoe jong ze is. Een arts in opleiding, vermoedelijk.  Ik wil geen mevrouw zijn in de ogen van deze student. Ik wil dat zij de mevrouw is . Ik wil dat dit ER is en zij Carol….’we denken dat u uw nek gebroken heeft.’ Of dr. Weaver.  George Clooney in de rol van Doug. Kalm, professioneel en vol met geruststelling.  ‘Noem mij maar Ariel’, begin ik monter aan een nieuwe grap, maar:  ‘Misschien moet je nu even ophouden met stoer doen’.  Hij is buiten mijn blikveld, zijn stem klinkt gesmoord.  ‘Maar dat kan niet’, stotter ik. Want ik kan niets meer vinden tussen stoer en angst.
De uren verstrijken. Het infuus in mijn arm doet pijn. Ik eis dat er naar gekeken wordt. De broeder met het Limburgse accent checkt het. En nog eens. De pijn in mijn hoofd verergert. Maar het is een prima infuus. Hij belooft me meer pijnstillers en verdwijnt weer door het gordijn.  
Meneer de Bruin kijkt naar de monitor. We doen een spelletje met de lijn van mijn hartslag. Ik zucht, zucht en zucht en hij ziet het ritme vertragen. Dan ritst hij mijn badjas open en legt zijn hand op mijn borst, mijn tepel tussen zijn vingers. De lijn reageert onmiddellijk. ‘Nou’, grinnikt meneer de Bruin. ‘Dát onderzoek kunnen ze tenminste overslaan.’
In mijn spalk valt alles wat erbuiten is weg. Ik voel me als een babytje dat ingebakerd is. Gekaderd, begrensd. Onaanraakbaar voor de dreiging van buiten.  De enige dissonant in het verhaal is dat de dreiging van binnen komt en ik kan er door al die begrenzing geen kant mee op. Ik grap, ik lach, ik ben bang en ik huil. Meer is er niet. Meer niet, behalve meneer de Bruin. Die, met een mars in zijn hand, een cup-a-soup of de krant,  mij bij terugkomst weer opnieuw in tranen aantreft. Omdat hij blijft en blijft terugkomen.
 
Lees meer...   (22 reacties)
 
 
In mijn eigenste Feëenrijk,
Laat ik de vakantie nog wat duren.
Terwijl ze bonken op mijn muren,
Heer Verplichting en heer Verantwoordelijk,
De vrouwen van Structuur, Schoonmaken en Slapen.
 
Want er was iets vols, iets rijks,
Dat ik beleefde en genoot,
Met volle teugen.
Zij hoorden hier nog nimmer van,
zoeken elkaar in vertwijfeling en tot de orde.
De heren en dames van mijn dagelijks bestaan.
 
En roepen mij toe ‘dat sprookjes niet duren’,
Dat het leven ‘van veel minder goud is’,
dan de stralende zon mij in de ogen legde.
Ze zijn al weer druk en doende,
Want er komt weer de herfst, en de winter.
Ooit. Straks. Vast heel snel.
 
Dus: Orde. En het huis aan kant.
In de auto naar kantoor.
Mail en Telefoon, en stel je d’r nou vast op in,
De Heksenketel warmt zich op.
 
‘Ja Ja’. Mompel ik. Onwillig.
Strek mijn benen in ontspanning
Nip wat van mijn Chardonnay.
Sluit mijn ogen en
 
Dan gaat de telefoon.
Een stem klinkt. Goud. En warm.
Spreekt van de vroegere tijden
en van week of 3 terug.
 
Noemt mijn naam en spreekt van morgen.
Wanneer hij voorrijdt in het licht
van Frankrijk, tango en verbinding,
stap ik in. Rijd maar. Rijd mij maar.
Naar het einde van de wereld.
 
Ga maar, laten we gaan en
neem opnieuw mijn lijf, mijn hart,
In de warmte van jouw handen.
Verbind je hoofd weer met het mijne,
Vertel me waar je over gaat.
Laten we dansen,
die ongewisse uitkomst tegemoet.
 
Lees meer...   (9 reacties)
 
Na de onzinnige wetenswaardigheidjes over ‘de reis’, ‘het weer’, ‘de mensen’ en de elektrische dekens op de bedden in de tenten uitgewisseld te hebben vroeg hij:
‘En, hoe is hij dan? Je danspartner?’ Zijn stem klonk stoer als in ‘niets gaat mij deren’, maar benepen ergens onderin. Het blikkerige dat zich soms bemoeit in de lijn tussen Nederland en Frankrijk hielp hier niet aan mee. Of hielp hier flink aan mee. ’t Is maar hoe je het bekijkt.
 
Ik merkte dat ik net wat te lang stil bleef, dus zei ik net wat te snel:
‘Ja. Leuk. Prima. Niets aan de hand. Fijn om mee te dansen.’
 
2 dagen later was er van alles aan de hand.
 
Ik ben een trut die haar wispelturige hart nog immer niet in weet te schatten, laat staan in de hand kan houden. Sterk spul, die Tango en gevaarlijk, de man die ermee weet te spelen.
 
I’m hooked. On both.
Er rest mij weinig anders dan volgen. Letterlijk.
Met vertrouwen in hem en in zekerheid van een ongewisse uitkomst.
 
En morgen? Neem ik de eerste trein terug naar Parijs.
 
Lees meer...   (4 reacties)
episodes
 
 

Juna in stukjes

33 
 
Waarin het lot tuimelt
32
 
Waarin ze in woedend water zwemt terwijl God zijn dood vindt
31 
 
Waarin bloed zo rood is als moedermelk
30 
 
Waarin niets dat vorm heeft werkelijk is, en het donker wordt, en stil
29
 
Waarin moederloze Grietjes en dagen vergeten raken
28
 
Waarin gezucht, gemoord en gezocht wordt
Waarin de eeuwigheid van voorbijgaande aard blijkt te zijn
 
26
Duizelig van het draaien zoekt ze jou
 
Waarin ze spreekt terwijl ze liever schrijft
 
Over navelstrengen, lintjes en een hele grote schaar
 
Waarin ze gaat om te blijven omdat het eigenlijk zo is
 
Waarin ze verhuist naar het stoffige en het alleen
 
Waarin ze haar hoofd stoot tegen de muren van een huis die de grenzen van een samen blijken te zijn
 
Waarin ze het tij in de zee herkent en meedeint in de golven of over water dat maar niet omhoog wil stromen
 
Waarin ze in de verbinding omhoog klimt. Telkens. Maar te bang is voor de sprong alleen.
 
Waarin ze in al haar eerlijkheid niets meer te willen blijkt te hebben.
 
Waarin ze binnenin de zeepbel is en het daar erg prettig heeft.
 
Waarin ze zich vertwijfeld afvraagt of wortels in de grond of in de lucht groeien. En magie haar intrede deed.
 
Waarin ze haar zelf verliest in de liefde.
 
Waarin ze doodsangsten doorstaat, natuurwetten bekritiseert en oude dozen omkeert.
 
Waarin ze verbindt met het dons van de maan.
 
Back to Basis
 
Waarin ze valt in het samen en de bodem nog niet heeft bereikt.
 
Waarin ze moet kiezen tussen samen of alleen, en daarin nogal wat nuance los moet laten
 
Waarin 3 lastig is, 2 geen vriendschap en 1 uit fragmenten bestaat
Waarin ze besluit wie ze is, wie ze was en wie ze zal zijn. Zonder daarin bevestiging te vragen
Waarin ze terugblikt, vooruitkijkt en beloften doet die ze vervolgens niet waar maakt
Waarin ze terugvindt, verstild en zich volwassen voordoet
Waarin ze waanzin en verantwoordelijkheid tracht te verbinden
Waarin ze droomt over staarten in haar en zich afvraagt of verbindingen rekbaar zijn
Waarin ze hoog op haar tenen staat, pillen slikt en ondertussen haar slipper breekt
Waarin ze zwijgend jouw stem beluistert en er niets meer van begrijpt
Waarin ze vleit, bemoedigt en confronteert en zich afvraagt of ze zonder aplaus nog zou bestaan
Waarin ze versmelt met boekenkasten maar daar niet langer een traan om laat
Waarin ze terugvindt in het begin
 

 

 
Want er is dat gebied,
dat ergens, die plek.
Tussen nu en straks, 
oud en nieuw, vast en vrij, 
zo tussen jou en mij.
 
Dat wacht
als de zon op de morgen
en als de maan op de nacht
 
Dat in het volste vertrouwen 
leeg is
Zodat al dat ik ga zijn en worden
ergens kan beginnen.
 
Juna
abonnement
Abonnement en contact
Abonneer je door je emailadres achter te laten of mail mij hier
 
 
min·zaam bn, bw; -zamer, -st vriendelijk, m.n. tegen iem van lagere rang: een ~ knikje
4min de; v(m) 1 liefde 2 goede verstandhouding: iets in der ~ne schikken vriendschappelijk regelen
5min de; v -nen vrouw die het kind ve andere vrouw zoogt; voedster
min·nen minde, h gemind 1 liefhebben; houden van 2 vrijen: ~de paartjes
min·zaam bn, bw; -zamer, -st vriendelijk, m.n. tegen iem van lagere rang: een ~ knikje
be·min·ne·lijk bn, bw sympathiek, innemend
 
 

     

                          
 
 
 
             
 
 
 
                     
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl